-
Daar hebben we (ook) veel van: Vestdijk
Waarom meer dan twee planken Vestdijkboeken bij Colette? Aad van Schie, van rayon Nederlands, legt het even uit. Dit is het derde deel in onze serie ‘Daar hebben we (ook) veel van‘.

Simon Vestdijk, geboren op 17 oktober 1898 in Harlingen, afgestudeerd arts, korte tijd werkzaam als scheepsarts en waarnemer, wijdde zich vanaf 1932 volledig aan de letteren tot aan zijn dood in 1969. En hij heeft heel wat afgeschreven: 52 romans, vele essaybundels over allerlei onderwerpen, duizenden gedichten en bijzonder verhalenbundels.
Hij werd beschouwd als een duivelskunstenaar vanwege de breedheid van zijn werk en het tempo waarin hij zijn werk schreef. ‘Vestdijk schrijft sneller dan God kan lezen’ schreef collega dichter Adriaan Roland Holst over hem. Vestdijk won alle literaire prijzen, die er maar te winnen waren. Bijna won hij de Nobelprijs voor literatuur in 1969, de flaptekst van zijn nieuwe roman was al voorzien van dat feit, maar helaas.
Hij werd in het midden van de vorige eeuw lang beschouwd als de beste schrijver die we hadden, al had hij wel de naam ‘moeilijk’ en vooral rationeel te schrijven. Wat mij betreft is dat overigens onzin, al moet je wel enige ausdauer hebben om zijn boeken te lezen. Na zijn dood verdween hij vrij snel uit beeld ofwel naar de kelder van de Nederlandse literatuur, waar je als schrijver in Nederland na je dood al snel terecht komt. In de kelder van Colette kun je overigens ook veel Vestdijkboeken vinden, maar dat zijn de reserveboeken. In de Nederlandse literatuurkast zijn twee dubbele rijen planken bezet met de meeste van zijn romans, verhalenbundels en essaybundels. En als medebeheerder van de sectie Nederlandse fictie sta ik achter de stelling: ‘Doe Vestdijk nooit weg,’ afkomstig van een van de bekendste collega-boeken-antiquariaten Hinderickx en Winderickx in Utrecht. ‘Je blijft ze verkopen.’ En dat is ook zo bij Colette. Soms enige weken geen verkoop van Vestdijk en dan weer een heel aantal.
Enige wenken bij het maken van een keuze uit de vele Vestdijktitels.
Hoe maak je nu een keuze uit al die titels? Zelf begon ik Vestdijk te lezen op de Kweekschool ( al heel lang Pedagogische Academie genaamd ) in de vroege jaren 70 van de vorige eeuw. Ivoren wachters, de roman over de jongeling Philip Corvage met een zeer slecht gebit, die zijn tandarts betaalt met een gedicht en die verliefd wordt op zijn lerares, was een van de eerste die ik tot me nam. Daarna natuurlijk de wellicht beste Nederlandse roman over de ideële jeugdliefde ‘Terug tot Ina Damman’, gebaseerd op Vestdijks werkelijk beleefde romance met een medeleerling op de HBS in Harlingen.
In de jaren daarna las ik al zijn romans. Later in mijn leven las ik ook veel over zijn werk en werd ik zelfs lid van de nog steeds springlevende Vestdijkkring, die elk jaar nog kronieken uit brengt en lezingen verzorgt. Kijk maar op de website www.vestdijk.com !
Bij Vestdijk vind je autobiografische romans zoals met name de Anton Wachter reeks, waarin Vestdijk in acht delen zijn vroege jeugd en jongelingschap behandelt. Nooit helemaal biografisch want bijvoorbeeld in deel 2 Surrogaten voor Murk Tuinstra gaat zijn vader dood en in werkelijkheid stierf deze in 1944.
Marcel Proust, de grote Franse schrijver met zijn epos ‘Op zoek naar de verloren tijd,’ was hierin zijn voorbeeld. De hele Anton Wachter reeks is zeer de moeite waard al blijft deel 3 over Ina Damman het hoogtepunt. Vestdijk schreef 13 historische romans van grote klasse en ze speelden van de voor- Homerische tijd (1240 voor Christus) in Griekenland te weten’ Aktaion onder de sterren’ tot ver in de 19e eeuw in Ierland: ‘Ierse nachten.
Het zijn allemaal op de eerste plaats psychologische romans, maar wel in een doeltreffend en juist historisch decor. Een van de hoogtepunten in deze reeks is ‘Vuuraanbidders’ zijn omvangrijkste roman, die speelt gedurende het Twaalfjarig Bestand uit de Tachtigjarige Oorlog. ‘Een historisch werk van grote allure,’ schrijft bewonderaar Maarten ’t Hart over dit boek. Uiteraard kwam ook de Tweede Wereld oorlog voorbij bij Vestdijk. Vier romans zelfs waarbij ‘Pastorale 1943’, over tamelijk onnozele verzetslieden in Doorn, geschreven tijdens de oorlog en in 1948 gepubliceerd, de beste is. Fraai verfilmd door Wim Verstappen in 1978.
Vier fantastische romans verschenen er van deze meester. De beste is ‘Kellner en de levenden’, een verhaal over het Laatste Oordeel, waarbij 12 burgers met een touringcar naar een bioscoop gebracht worden, waarachter het doolhof van het Laatste Oordeel zich bevindt. Een gevecht tussen de Ober (duivel) en de Kellner, die hier staat voor de Verlosser, waarbij de 12 gelouterd en gered worden. Bij thuiskomst blijkt die loutering zeer relatief. Zeer filmisch geschreven, maar helaas niet verfilmd dit boek. Van de zogenaamde contemporaine romans springen vooral De koperen Tuin ( imposante, muzikale roman), Het Glinsterend Pantser, over een tragische componist, geplaagd door de huidziekte psoriasis, De Ziener, over een loser, die een relatie tussen een lerares en leerling tot stand brengt en Zo de ouden zongen, over een nostalgische terugblik op een oude liefde, eruit.
Over de taal, de humor en de thematiek van Vestdijk.
Hugo Brandt Corstius, die samen met Maarten ’t Hart alle tweeënvijftig romans van Vestdijk besprak in de publicatie ‘Het Gebergte’, een aardig passage over de taal van Vestdijk. Naar aanleiding van het in het Zweeds geschreven Nobelprijsrapport, zei de schrijfster daarvan: ‘Zijn taalgebruik om maar iets te noemen, vind ik niet zo mooi met al die kronkelige zinnen.’ Brandt Corstius: ‘Daar heb je al die kronkelige zinnen weer!. Het is waar dat Vestdijks zinnen wat langer zijn dan van de gemiddelde Nederlandse romanschrijver. Ze zijn langer omdat hij alles altijd van twee kanten bezag en dan nog van een derde kant bovendien.
Ook was zijn woordenschat ongeveer tien keer zo groot als van de gemiddelde Nederlandse romanschrijver In Van Dale wordt Vestdijk 264 keer geciteerd, voor woorden als arkebussiers, bomberend, chimerisch, kwaadsappig, lowbrow, meretrix, waterbroodje en zolderschildering. Er zijn inderdaad mensen die niet van zulke lange zinnen houden, maar die moeten dan even niets tegen de Zweden zeggen.’
De humor dan. Ook hier citeer ik Brandt Corstius, die in hetzelfde boek over Vestdijk, de roman Het glinsterend pantser, bespreekt, onder de titel De misère van de Doornse bungalowtjes.’ Hij citeert Vestdijk: ‘(…) een van die infame huisjes uit de meccanodoos van jongeheer Gladsteen (—) Deze verwerpelijke kubusjes, waaraan alles verkeerd was, afmetingen, verhoudingen, kleuren, ramen, drollige hekjes, balkonnetjes, loggia’s, pilaartjes en de schoorsteen niet te vergeten, waren soms neergezet vlak naast een gewone eerwaardige donkere boerenwoning van vijftig, zestig jaar geleden met een paar geschoren linden ervoor. Dat had men maar te nemen. Nu ik nam dat ook wel, ik smeet geen ramen in, ik belde het ministerie van publieke smaakverpesting niet, ik onthield mij van ingezonden stukken, en spaarde mijn verbazing op voor de allerergste excessen, zoals op een stralende lentemiddag, dat zeer vreemde gewrochtje van roze suikergoed, waar een schoorsteen gemetseld van ruwe, onregelmatige stenen, iets van een oud-Romaanse kerk , gewoon tegenaan was geplakt, zonder daarbij te verzuimen de schoorsteen te zijn van het huis zelf.
Daar school iets geniaals in. De schoorsteen, dat ruwe gemetselde ding van eeuwen en eeuwen her, daalde neer van helemaal in de hoogte tot op de grond, en waarschijnlijk in de grond, als de spleet van een bliksemstraal in een Japans pruimenboompje in kleurendruk. Laat een oude boerin met borstkanker er rouge op smeren en men krijgt hetzelfde beeld; het was wat men noemen mocht een aanstotelijk gebouwtje.’ Deze tekst heef ooit vast fantastisch geklonken, toen deze roman als hoorspel werd uitgezonden. En die humor vind je in heel veel boeken van Vestdijk.
De thematiek bij Vestdijk.
Schrijvers als Hella Haasse, Kees Fens en Marin Hartkamp hebben hierover lange essays geschreven. Voorbij kwamen dan thema’s als: ‘Meester en leerling,’ Identificatie en isolement en De onbereikbare geliefde. In de Griekse roman Aktaion onder de sterren komen het eerste en derde thema prachtig bij elkaar. De leermeester van Aktaion, de paardmens Cheiron probeert zijn leerling af te houden van zijn passie voor de godin Artemis. Dat mislukt en als het Aktaion lukt om de godin te krijgen, verandert hij in een hert en wordt door zijn eigen honden verslonden. Ik eindig dit artikel met een krachtig gedicht, waarin het thema van de leerling en de meester beeldend verwoord is:
De meester
‘k Ging bij hem schaken. En hij won niet een,
Maar vijftig keer om mij het spel te leeren,
Tot op dien dag,- met eerste winst alleen,
Zijn kamer hol en dreigend om mij heen,-
’t Verdriet aanving, omdat ik niet meer vereeren
Kon, naar de meesterhand niet opzien meer en
Niet meer bang zijn, als hij de ivoren bent
Aan zwaarschuivende doos ontnam- verboden
Inbreuk leek ’t mij eerst, op hen die als dooden
Half godheid zijn en half beenornament.
En daarna, bij elk spel, en ongeweten,
Smeekte mijn jeugd aan ’t toeval hunner woning
Voor hem, die nog mijn hechte meester heette,
Den heiligen, den onneembare koning.
Lees hier de eerdere afleveringen in de serie Daar hebben we (ook) veel van:
-
Daar hebben we (ook) veel van: Janwillem van de Wetering
Je kunt het zo gek niet bedenken, of je vindt het bij Colette! In de serie ‘daar hebben we (ook) veel van’, belichten we steeds een schrijver van wie we zelfs méér hebben; toch op z’n minst wel een klein bergje boeken. In de tweede aflevering over deze ‘Colette Canon’ schrijft Piet de Klerk (boekverkoper op maandag) over Janwillem van de Wetering. Je vindt zijn boeken direct bij binnenkomst op de berg met detectives, vlakbij Simenon – en ook verderop in de winkel in de kast met detectives.

Schrijvers zijn vaak buitenstaanders, maar Janwillem van de Wetering was dat in dubbele zin. Niet alleen in de zin dat hij vooral een observator was, maar ook in de zin dat hij niet echt bij Nederland paste. Ja, hij was geboren in Hillegersberg, maar al als jongeman verkoos hij al het leven buiten Nederland. Vanaf zijn twintigste woonde hij een paar jaar in Zuid-Afrika, en op zijn 26e vroeg hij in Kyoto of hij tot het klooster mocht toetreden. Zijn debuut Een Lege Spiegel (1971) is een nog altijd lezenswaardig en onvervaard verslag van die periode. Af en toe spijbelde hij daar, en ook elders zette hij regelmatig de bloemetjes buiten. Hij woonde in Colombia, in Peru en in Australië. Maar de aan zijn vrijheid hechtende rebel werd een paar jaar later in Amsterdam zakenman en agent van politie.

Zijn Grijpstra en De Gier politieromans zijn op zijn ervaringen uit die tijd gebaseerd. In de jaren zeventig gingen ze als warme broodjes over de toonbank. Wij hebben er een heel stel van, en ze gaan voor drie euro van de hand. In sommige opzichten zijn ze gedateerd. Zelfs de Amsterdamse afdeling ‘Zware Delicten’ heeft iets goeiigs; de rang van de superieur van de twee, adjudant Grijpstra, bestaat niet meer, de Amsterdamse politie ligt voortdurend in de clinch met de Rijksrecherche, en de net binnengehaalde computers worden ‘de grijze doos’ genoemd en je hebt er meestal niets aan.
Grijpstra en De Gier zijn mannen van middelbare leeftijd die van hun werk houden, elkaar goed aanvullen en af en toe samen muziek maken: De Gier (“de persoon die ik zou willen zijn”) speelt fluit en Grijpstra (“mijn Nederlandse erfmassa”) heeft een drumstel op zijn kamer staan.
In Een dode uit het Oosten (1977) zijn het niet toevallig Japanse yakusa die de moord in kwestie gepleegd hebben; het biedt Van de Wetering de gelegenheid zijn kennis van Japan te tonen. Na 1975 vertrok Van de Wetering naar Maine, waar hij de tweede helft van zijn leven doorbracht en zijn Zen-studies voorzette (Het Dagende Niets). Op den duur was dat niet bevorderlijk voor zijn “Amsterdamse” politieromans. De beste zijn geschreven in de jaren 70: Het Lijk in de Haarlemmerhouttuinen (verfilmd door Wim Verstappen met in de hoofdrollen Rijk de Gooijer en Rutger Hauer), Buitelkruid, en De Gelaarsde Kater.
In 1980 schreef Van de Wetering het Boekenweekgeschenk De Verdachte Verheugt. Van het latere werk is voorradig: Een Oosterse Huivering, De Kat van Brigadier De Gier, Een Moord zonder Lijk/Een Lijk zonder Moord, De Doosjesvuller, De Ratelrat, Een Aflopende Geschiedenis, Het Veilige Gevoel en De Zaak IJsbreker.
“Op Zoek naar het Ongerijmde” van Marjan Beijering, de biografie van Van de Wetering hebben we helaas niet. Is nog te nieuw (2021).
Lees hier het eerste deel terug: Daar hebben we (ook) veel van: Colette
-
Daar hebben we (ook) veel van: Colette
Je kunt het zo gek niet bedenken, of je vindt het bij Colette! In deze nieuwe serie ‘daar hebben we (ook) veel van’, belichten we steeds 1 schrijver of onderwerp waar we zelfs méér van hebben; toch op z’n minst wel een klein bergje boeken. In de eerste aflevering over deze ‘Colette Canon’ schrijft Piet Driest (ons rayonhoofd Frans) over de naamgeefster van ons antiquariaat. Je vindt haar boeken op de ‘pareltjes van Jogchum-berg’. Piet droomt er stiekem van om van Antiquariaat Colette een Colette-museum te maken. Toe maar!

Ha, terecht, denk je, eindelijk een winkel die eer bewijst aan een van de beste Franse schrijfsters. Maar als je naar binnen gaat, blijken er toch ook weer boeken van andere auteurs in de winkel te staan. Zouden we niet een heel eind komen met een winkel met alleen maar boeken van en over Colette en de vele vertalingen? Jogchum, onze godfather, die lang geleden de winkel oprichtte en hem de naam van zijn lievelingsschrijfster gaf, zou het toejuichen.
Onze ideale winkel heeft vier wanden die ieder een periode van 20 jaar van haar leven bestrijken en op de grote tafel in het midden liggen stapels biografieën, dvd’s met documentaires over haar en met verfilmingen en stripverhalen van haar romans, toneelstukken gebaseerd op haar romans, exemplaren van parfums en zeepjes die Colette onder haar naam verkocht, affiches van haar optredens in de Moulin Rouge, in music-halls en op het toneel. Speciale vermelding krijgt een gigantische stapel met haar
journalistieke producten, artikelen in kranten en tijdschriften, reisreportages.
Een wand loopt van 1873 tot 1893: haar jeugd in een klein dorpje op het Franse platteland, haar eerste romans over haar jonge jaren, over haar opvoeding, haar huis en haar school. Die eerste romans over Claudine op school waren zo openhartig, zo eerlijk en niets verhullend over haar dorpsgenoten dat bij een later bezoek aan haar dorpje deze laatsten met stenen in de hand haar opwachten. Binnen de kortste keren was Claudine wereldberoemd, adult-literatuur avant la lettre.
In 1894 op haar twintigste trouwt ze met Willy, die onder zijn naam haar boeken uitgeeft (pas in 1906 worden haar boeken met haar eigen naam uitgebracht) en na een jaar of tien wordt Willy ingeruild voor Missy, een barones met wie ze pantomime gaat spelen. Met Missy zorgt ze voor het schandaal in de Moulin Rouge (lesbische zoenen en blote borsten). Ze schrijft maar door (hoe toepasselijk “La Vagabonde” en “L’ingénue libertine”), romans en journalistieke reportages en ze blijft toneel spelen, doet pantomimes, gaat op tournee door heel Frankrijk..
In 1912 trouwt zij met de hoofdredacteur van de krant waar ze vaste medewerker is en zelfs later artistiek directeur van wordt. In die periode schrijft zij haar meest bekende boek “Chéri”, later zal zij de hoofdrol spelen in toneelstuk dat over het boek gemaakt is. Reportages over de Eerste Wereldoorlog, over Verdun, de strijd in Italië, de veldhospitalen en terwijl de hoofdredacteur aan het front is, krijgt ze een verhouding met zijn zoon (hij is 16, zij 46). Bertrand, de zoon, vertelt later dat de 6 jaar durende verhouding
met Colette, de gelukkigste periode uit zijn leven is geweest.Onvoorstelbaar hoeveel zij schrijft, maar ja, ze is kostwinner en moet wel op allerlei manieren geld verdienen: Moulin Rouge, theater, shows, pantomime, romans en artikelen. Begin 30-er jaren introduceert ze een lijn met eigen schoonheidsproducten, opent een cosmeticawinkel in Parijs en in Saint-Tropez
De laatste wand van ons Colette-monument is gereserveerd voor haar als grande dame de la littérature. Ze trouwt op haar 52-ste met Maurice Goudeket, een trouwe, lieve vriend met wie ze al enige tijd een affaire heeft, hij zorgt voor haar tot aan haar dood, duwt haar rolstoel, behoedt haar voor al
te dwaze misstappen, vergezelt haar bij officiële gelegenheden. Hij is joods en Colette beschermt hem in de Tweede Wereldoorlog tegen de Duitsers, weet hem, als hij toch gearresteerd wordt, dank zij haar relaties weer vrij te krijgen.
Ze woont in het Palais Royal, wordt gekozen in de Academie Goncourt (het hoogste wat een Franse schrijver bereiken kan), blijft schrijven, redigeert vroegere romans, schrijft nieuwe. Praktisch tot het eind van haar leven is ze actief. In 1954, ze is dan 80, sterft ze, krijgt een staatsbegrafenis en geheel in stijl ontstaat er een nationaal debat omdat de katholieke kerk haar een katholieke plechtigheid weigert. Père Lachaise is haar laatste rustplaats.
Met zo’n leven is het niet verwonderlijk dat de tafel met beschrijvingen en verhalen over haar leven barstens vol ligt en doorbuigt onder het gewicht van de boeken. Onvoorstelbaar wat zij geschreven heeft, onvoorstelbaar wat zij daarnaast nog presteerde. Onze winkel is klaar, een passend eerbetoon.
De volgende aflevering in de serie Daar hebben we (ook) veel van, gaat over Janwillem van de Wetering.